Aidsfonds Logo

Aanmelden nieuwsbrief

Verhalenwedstrijd 'Leven met hiv' in Trouw:
Eerste prijs

Onder de maretak
Trouw (23-06-2007)

Hoe hij heette weet ik niet meer. Wat ik nog wel weet, is dat er toen twee behandelmethoden waren: AZT, waar je vreselijke diarree van kreeg en evengoed dood van ging, alleen een beetje later.
En er was een homeopathisch middeltje dat even hopeloos slechte resultaten boekte. Dat was op basis van de maretak, 'mistletoe' op z'n Engels. Een plantje dat twee blaadjes tegelijk aanmaakt, die zich steeds weer in twee nieuwe identieke blaadjes delen, zodat het plantje uiteindelijk een kogelrond bolletje wordt. Het leeft op dood hout, heeft niks nodig om te groeien.
Ik was verpleegster. Jong en onervaren. In nachtdiensten hield ik mijn hart vast. Want zo'n diploma heb je dan wel, maar dat betekent nog niet dat je als twintigjarige de goede woorden vindt als iemand bang is of dood gaat. Ik voelde mij vreselijk onhandig. Maar goed. Nachtdiensten maken deel uit van je werk. Dus daar zat ik, met een collega die nauwelijks ouder was dan ik.
De patiënt belde toen alle anderen allang luid hoorbaar in dromenland waren. Mijn hakken klikten door de met tegeltjes bezette gang. Ik drukte de bel uit bij de deur en vroeg hem wat er was.
"Mijn benen doen het niet meer."
"Je benen?"
"Ik voel ze niet meer."
Ik liep naar hem toe en sloeg de deken weg. Zijn benen zagen er normaal uit. Voor zover de benen van een aidspatiënt er op het laatst nog normaal uitzien. Mager, vol met donkere Kaposi-vlekken, verzwakt. "Nu net?"
"Ik wilde naar de wc lopen. Maar het gaat niet."
Moest ik een arts oppiepen? Was dit gevaarlijk, kon het wachten tot de ochtend? Nee, zeg. Als je benen het niet meer doen. Dat is zo erg, daar moest ik iets mee. Maar de man in het bed zei: "Ik vind die benen niet zo erg, ik moet alleen zo nodig naar de wc."
Ik nam snel de rolstoel uit de hoek van zijn kamer en bood aan hem naar de wc te rijden, wat hij dankbaar aanvaardde. Mijn collega was druk elders en de nood was hoog, dus ik besloot hem in mijn eentje in de rolstoel te zetten. Hij sloeg zijn armen om mijn nek, ik bukte tot mijn vlezige knieën de knokige van hem raakten en ik hem overeind kon hijsen door mijn eigen gewicht wat achterover te laten hellen. Hij was zo licht als een veertje. Maar zijn benen deden het inderdaad niet meer. Hij steunde er niet op, ik voelde het. Opeens zei hij "O jee."
"Wat is er?"
Ik voelde al wat er was. Een warme drab viel langs mijn kuit naar mijn schoen en droop erin weg. Zijn greep verslapte. "O god. Vreselijk. Het spijt me."
Ik kon beter tegen poep dan veel van mijn collega's, maar poep van een aidspatiënt, dat is weer een heel ander verhaal. Daarvoor was er een speciaal protocol. Alle afscheidingsproducten van aidspatiënten waren gevaarlijk. Je kon een wondje hebben. Had ik een wondje aan mijn voet? Ik dacht van niet. Ik zou zo eerst mijn voet wassen en dan het protocol raadplegen. Als ik maar niet uit voorzorg aan de AZT moest, zoals mijn collega na een prikincident. Gelukkig had ze er geen hiv-infectie aan overgehouden, maar ze was weken uit de running door de bijverschijnselen van die troep.
Ik deed mijn schoen uit, gooide hem hinkend in een afvalzakje. Met mijn been hoog spoelde ik mijn voet af in de wastafel. Op blote voeten maakte ik daarna de patiënt schoon. Het nam wat tijd in beslag. Terwijl we elkaar wezen op plekjes waar het nog vies was en washandjes en handdoeken aanreikten, vertelde hij dat zijn vader langs zou komen.
"O, wat leuk!"
"Nou,à"
"Niet?" Ik bleef een licht bezorgd gevoel houden over mijn eigen gezondheid.
"Ik heb hem al in geen jaren meer gezien. Hij kon niet accepteren dat ik homo was."
Dat was geen nieuws. Bijna elke homoseksuele aidspatiënt op onze afdeling had wel een ouder die na vijftien, twintig jaar uit de kast nog altijd lastig deed over de geaardheid van hun zoon. "Maar dan is het toch juist fantastisch als hij je nu op komt zoeken?"
"Ik ga hem afbellen."
Dat leek me niet verstandig. Veel tijd voor herkansingen was er niet meer. Maar dat durfde ik zo niet te zeggen. Misschien kon de hoofdzuster morgen een goed gesprek met hem hebben.
"Als hij me zo ziet, dan vergeeft hij het zichzelf nooit."
"Maar hij wil je zien."
"Ik kan hem beter een brief sturen dat het okee is, dat ik van hem hou. Dan herinnert hij me zoals ik was. Sterk, koppig, vrolijk. Dat is prettiger voor hem."
Perplex was ik. Deze man had net ontdekt dat zijn benen hem in de steek hadden gelaten, waarschijnlijk voorgoed. Zijn hele lichaam was aan zijn laatste stuiptrekkingen bezig. Niks was meer onder zijn controle. Zijn vriend was al dood, zijn moeder. Schijnbaar onbewogen accepteerde hij het. Hij koos ervoor te sterven in eenzaamheid, zonder bezoek, in een anonieme ziekenkamer. Om zijn vader te sparen!
Ik ging op het randje van zijn bed zitten. De poeplucht hing nog in de kamer. "Ik denk dat je je vader dat niet aan moet doen."
Hij lachte wrang. "Come on. Moet je me zien."
"Het is goed om je te zien. Je kunt je vader omhelzen. Dat zal 'm goed doen."
"Denk je?"
Wist ik veel? Ik knikte maar. Zijn magere vingers knepen even in mijn pols. "Zonde van je schoen."
"Ah joh. Die waren al oud."
Ik wenste hem een goede nacht en vertrok met mijn zakken naar de speciale container, waar angstaanjagende symbolen op stonden. In het verkleedhok vond ik een paar slippers maat 38. Mijn collega had koffie klaar en wist te vertellen dat voor zoiets de dienstdoend arts niet gebeld mocht worden. "Dan kan hij elke nacht wel uitrukken."
Twee dagen later hoorde ik bij de overdracht dat hij was overleden.

Ageeth van der Veen

Naar een wereld zonder aids.