De hiv-test
Door je bloed te laten testen op de aanwezigheid van hiv, kun je erachter komen of je het virus in je lichaam hebt. Mocht dat zo zijn, dan heeft je lichaam antistoffen tegen het virus aangemaakt. Dit zijn stoffen die het lichaam normaal gesproken produceert om virussen onschadelijk te maken. Het probleem bij aids is dat de antistoffen tegen hiv het virus niet kunnen uitschakelen.
De hiv-test (officieel hiv-antistoffentest) toont aan of je hiv-antistoffen in je bloed hebt. Als dat zo is, ben je met hiv geïnfecteerd, ofwel hiv-positief.
Voor alle duidelijkheid: een hiv-test toont alleen maar aan of je het virus hebt of niet en biedt geen bescherming tegen hiv.
Wat gebeurt er als je je laat testen?
Voordat een hiv-test bijvoorbeeld via de huisarts, een soa-centrum, of bij de GGD wordt gedaan, vindt er eerst een voorgesprek plaats. Daarin wordt gesproken over de aanleiding voor de test en worden voor- en nadelen op een rij gezet. Je beslist dan zelf of je je wel of niet zult laten testen. Een hiv-test kan alleen met uw instemming worden gedaan.
De uitslag: positief of negatief
Het lijkt misschien verwarrend, maar een negatieve testuitslag betekent goed nieuws: er is geen hiv in je bloed gevonden. Als je de laatste drie maanden voor de test inderdaad geen risico meer hebt gelopen, dan kun je ervan uitgaan dat je niet met hiv bent geïnfecteerd. Het is belangrijk dat je in het vervolg risico op infectie met hiv blijft voorkomen.
Een positieve uitslag daarentegen betekent dat er wel virus in je bloed aanwezig is. Je bent met hiv geïnfecteerd, ook al merkt je er misschien nog niets van. Het is belangrijk om je gezondheid goed in de gaten te laten houden door je arts. Deze zal je zo nodig doorverwijzen naar een specialist, die je goed kan begeleiden en voorlichten over de mogelijkheden om de hiv-infectie te behandelen. Ook voor psychosociale ondersteuning kan je huisarts je doorverwijzen. En natuurlijk is het belangrijk dat je weet welke maatregelen je kunt nemen om hiv niet over te dragen op anderen.